Ritmanlibrary - Bibliotheca Philosophica Hermetica
LibraryResearch InstitutePublishing HouseOn-line Exhibitions
THE LIBRARY OF HERMETIC PHILOSOPHY IN AMSTERDAM

 

back

  Lees meer / capita selecta
Voorwoord
1
Sleutel tot licht: inleiding
2
Het Getijdenboek van
Geert Grote
3
Het boek, een ruimte
4
Licht en genade: overwegingen bij miniaturen in de Adair getijden (BPH 131)
5
Getijden van de Eeuwige Wijsheid (BPH 152, BPH 153 en BPH 134)
6
Mystieke cultuur, vrouwen en boeken in Delft (BPH 132)
7
Schrijven voor de kost: het klooster Lopsen te Leiden
(BPH 11, BPH 15, BPH 79 en BPH 163)
8
Bidt voer alle hoer sielen: memorie in Haarlem
9
Meeleven met Maria (BPH 151)
10
Spirituele aandacht van de vrouwen van Assendelft
(BPH 137 en BPH 158)
11
Waardering van het boek
12
Figuren in de marges:
symbolische betekenis van dieren en planten
  Verantwoording van de auteurs
  Inleidende diapresentatie


10. Spirituele aandacht van de vrouwen van Assendelft


Vier handschriften van één familie
Delftse boeken omstreeks 1480-1485
Verluchters
Persoonlijke opdracht
Gebedenboeken voor moeder en schoondochter
In de familie
Noten
Literatuur

Twee handschriften uit de collectie van de Bibliotheca Philosophica Hermetica behoorden oorspronkelijk aan de Hollandse adellijke familie Van Assendelft. Beide boeken zijn voorzien van de gedeelde wapenschilden van twee vrouwen Van Assendelft. Zij waren gehuwd met respectievelijk vader en zoon, Gerrit († 1486) en Nicolaas van Assendelft († 1501). Het gaat hier om het gebedenboek van Beatrijs van Arckel van Dongen en Dalem van de Wale van Besoyen (ca. 1430-1492) en het getijdenboek van Alijd van Kijfhoek van Arckel (1470-1540): Beatrijs was de schoonmoeder van Alijd. De geschiedenis van de ridders van Assendelft gaat terug tot het begin van de 14e eeuw. Een aantal bronnen vertelt ons nog in detail het kleurrijke verhaal van deze ridders, latere regenten en hun gezinnen. Van generatie op generatie kennen we hun huizen, goede en slechte daden, kinderen, kapellen, begraafplaatsen en hun zorgen voor hun zielenheil, dankzij de studie van Bert Koene in het boek Voor God, graaf en geslacht (zie Literatuur)

Vier handschriften van één familie
Omdat er weinig bekend is over boeken van adellijke families in ons land, is het des te meer bijzonder dat juist deze handschriften voor Nederland behouden konden worden. Zij vormen bovendien een interessante aanvulling op twee andere handschriften afkomstig uit dezelfde familie: twee bijzondere boeken van de oudste dochter van Beatrijs en Gerrit, het nonnetje Beatrijs van Assendelft. De vier handschriften die hier besproken worden, getuigen van de vrome aandacht van de vrouwen van Assendelft: vier boeken waaruit zij baden voor het zielenheil van zichzelf en van hun naasten, maar ook boeken waar ze trots op waren en die ze zorgvuldig bewaard hebben. Beatrijs van Assendelft was aanvankelijk door haar ouders ondergebracht in het Elisabethklooster in Den Haag maar ging in 1485 over naar het Zijlklooster in Haarlem. Dit was een klooster van regularissen onder de regel van Augustinus. Over de voorwaarden van haar intrede sloten de ouders een contract met de mater van het convent, waarbij bemiddeld werd door de pater, de rector van het klooster Monte Sion, bij Rijswijk.1 Dat het nonnetje Beatrijs was toegewijd aan Augustinus, is vastgelegd op een miniatuur in het prachtige brevier dat zij vermoedelijk bij haar intrede ten geschenke kreeg. Het grote boek (230 x 210 mm ) behoort nu tot de schatten van het Utrechtse Museum Catharijneconvent (OKM hs. 3). Het Latijnse brevier met de dagelijkse koorgebeden, echter zonder de meeste nachtgebeden, bevat 11 bladgrote miniaturen en 32 bladen met randversiering en geschilderde initialen, omstreeks 1485 uitgevoerd door drie verschillende meesters. Het tweede handschrift uit haar bezit is een met 30 miniaturen verlucht Leven Ons Liefs Heren Jezu Christi, eveneens van groot formaat (268 x 190 mm). Misschien kreeg Beatrijs het al iets eerder, omstreeks 1480, wellicht bij haar intrede in het Haagse klooster? Het is nu te bewonderen in het FitzWilliam Museum in Cambridge (Engeland, ms. James 25). Het handschrift van haar moeder, Beatrijs van Dongen van Dalem, dateert uit dezelfde tijd als het boek over het Leven van Jezus en is vermoedelijk door dezelfde meester verlucht. Het getijdenboek van Alijd van Kijfhoek, die in 1485 huwde met Nicolaas van Assendelft, is geschreven door een wat ouderwets aandoende, bevende hand die werkte naar een ouder voorbeeld (zie cat. nr. 13). De verluchting van dit getijdenboek wordt toegeschreven aan de Meester van Herman Droem, een van de meesters die ook aan het brevier van Beatrijs gewerkt heeft. Aangezien het huwelijk tussen Nicolaas van Assendelft en Alijd in hetzelfde jaar plaatsvond als de intrede van Beatrijs, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat de opdracht tot het maken van deze twee handschriften, beide mogelijk als ‘huwelijks’-kado, ook in handen van eenzelfde atelier is gegeven. Alle vier handschriften zijn in Delft (of omgeving) gemaakt omstreeks 1480 en 1485 en verlucht door schilders waarvan een aantal met elkaar samenwerkten. Te samen zijn deze vier boeken unieke getuigen van spiritualiteit binnen één familie in de late 15e eeuw. 

Delftse boeken omstreeks 1480-1485
In een tijd dat het eerste grote gedrukte boek uit Delft op de markt kwam, de ‘Delftse bijbel’ van 1477, werden ook nog op grote schaal boeken met de hand geschreven (zie ook hoofdstukken 6 en 9). Kijkend naar de enorme, zevendelige bijbel met bijbehorend missaal die de Utrechtse kanunnik Herman Droem (†1476) in Delft liet kopiëren en verluchten (nu in Rome, Biblioteca Casanatense, ms. 4214-4216), moeten we ons afvragen wie de mogelijkheid had om zoveel honderden bladen perkament te schrijven? Voor het kopiëren van een bijbel van deze omvang was een tiental jaren aan schrijfwerk niet uitzonderlijk.2 Een dergelijke opdracht kon eigenlijk alleen een goed georganiseerd schrijfatelier op zich nemen. Afhankelijk van het moment of de wijze van betaling – pas na levering? – valt dan eerder te denken aan een scriptorium in een klooster waar de monden gemeenschappelijk gevoed werden, dan aan een wereldlijk schrijver of atelier. 

Verluchters
Waren de kopiisten geestelijken, dat hoeft niet te gelden voor de verluchters. Pas als de katernen klaar waren, werd de decoratie uitgevoerd. Misschien waren de verluchters als leken verbonden aan het schrijfatelier of werkten ze in de stad in hun eigen werkplaats, waarbij ze een beroep op elkaar konden doen als er een grote opdracht verdeeld moest worden. Beatrijs is geschilderd door de Meester die wij kennen als de Meester van de Adair-Getijden, zo genoemd naar het getijdenboek BPH 131 (nr. 14). De versiering op de tegenoverliggende bladzijde is echter gemaakt door het atelier van de Meester van Herman Droem. De miniaturen zijn op losse bladen ingevoegd, maar de randversieringen en initialen maken integraal deel uit van de katernen. Beide meesters kunnen de los van elkaar gewerkt hebben.3 In het atelier van de Meester van Herman Droem werd niet alleen het brevier maar ook het getijdenboek van Alijd van randversieringen en rijk gekleurde initialen voorzien. Hier werden ook vier bijpassende miniaturen gemaakt, maar als miniatuurschilder was de Meester van Herman Droem de mindere van de collega’s die de miniaturen in het brevier uitvoerden. Als schilder van randversieringen echter leverde hij hoge kwaliteit. Opvallend is ten slottte ook nog dat al het tweekleurig penwerk in beide boeken, gelijk is aan dat in de zevendelige bijbel en het missaal van Herman Droem.

Persoonlijke opdracht
Het brevier is een zeer persoonlijk boek en speciaal gemaakt voor Beatrijs als non in een klooster dat aan Augustinus gewijd was. Het Zijlklooster volgde de regel van Augustinus en behoorde tot het Kapittel van Sion, dat vanuit het klooster Monte Sion bij Rijswijk was opgericht. Monte Sion leverde ook de geestelijke leiders van het Haarlemse vrouwenklooster. Monte Sion was in 1433 gesticht nadat een aantal broeders Hiëronymusdal in Delft had verlaten om zich onder de regel van Augustinus te stellen. Van zowel de broeders van Hiëronymusdal als van de regulieren van Monte Sion is bekend dat zij in opdracht voor anderen boeken kopieerden. Helaas kennen wij hun producten niet. Maar wij kunnen ons afvragen of niet de prior van Monte Sion, die bemiddelde in de afspraken tussen de ouders en de mater van het Zijlklooster en die de omstandigheden van het meisje kende, ook een rol gespeeld heeft bij de productie van haar Latijnse brevier. De kopiist kreeg een duidelijke opdracht. Hij moest bepaalde nachtgebeden weglaten want het zwakke meisje hoefde ’s nachts niet mee te bidden. Hij moest een heiligenkalender met de belangrijkste feestdagen van de regularissen kopiëren en ook hun officie volgen, en daarbij nog een gebed toevoegen tot de patroonheilige Augustinus. Juist deze informatie was in Monte Sion voorhanden. Zouden misschien niet zowel het brevier van Beatrijs van Assendelft, als het wat ouderwets geschreven getijdenboek van Alijd, geschenken bij de feestelijkheden in 1485, tegelijkertijd zijn gemaakt in het scriptorium van Monte Sion? De decoratie en verluchting zijn in dat geval uitbesteed, wellicht deels binnenshuis, mogelijkerwijs ook buitenshuis in het dichtbijgelegen Delft. Hier ook werd het boek van Beatrijs gebonden in een band met stempeltjes van het stadswapen van Delft. Voorin werden de wapenschilden toegevoegd van zowel haar vader als haar moeder, opdrachtgevers van het handschrift. 

Gebedenboeken voor moeder en schoondochter
Het handschrift van Beatrijs van Dongen van Dalem, dat haar wapen gedeeld met dat van haar echtgenoot draagt (f. 4r) is geen gewoon getijdenboek maar een zeer gevarieerd, dik gebedenboek met 224 bladen. Het boek begint met De vijfenzestig artikelen van de Passie, toegeschreven aan Jordanus van Quedlinburg. Deze tekst circuleerde oorspronkelijk in het Latijn onder de titel Meditationes de passione Christi en is ingedeeld naar de zeven gebedsuren van de dag. Daarbij is de inhoud van elk artikel, meditaties over het lijden van Christus, kort samengevat in een voorafgaand gebed dat tot devotie moet opwekken. Na deze artikelen volgen gebeden tot Christus, tot het H. Aanschijn met een mooie marge-illustratie, een gebed tot het H. Sacrament, gebeden tot Maria, suffragiën tot heiligen, 15 Pater Nosters, gebeden tot de wonden van Christus, gebeden van Bernardus, Augustinus en Gregorius en anderen, en ten slotte de getijden van de Zeven Smarten van Maria. Vrijwel alle bladzijden van dit rijke boek zijn versierd. De decoraties worden toegeschreven aan de Meester van Beatrijs van Assendelfts Leven van Jezus, wellicht geassisteerd door andere meesters van de Delftse Halve Figuren. De gehistorieerde initialen treft men bij de belangrijkste teksten, en bij de suffragiën tot de heiligen. Daarnaast zijn er talloze, geschilderde initialen van 4-7 regels hoog met een gekleurde bloem in het oog op een gouden veld, met randversieringen over twee of drie zijden, in onder-, boven- en zijmarges. Het getijdenboek van Alijd van Kijfhoek is geschreven door een wat ouderwets aandoende, bevende hand die werkte naar een voorbeeld uit 1456. Dit jaartal, dat staat in de figuur voor het vinden van het Gulden Getal aan het eind van de heiligenkalender (f. 11r), is vermoedelijk gekopieerd uit het oudere voorbeeld. Het boek was oorspronkelijk verlucht met vier miniaturen (er is er helaas een verloren gegaan), omgeven door randversiering, zowel rond de miniatuur als rondom de tekst op het tegenoverliggende blad. Het handschrift bevat een breed scala aan gebeden en lijkt wel een volledig handboek voor een gelovige vrouw. Naast een heiligenkalender, diverse getijden, boetpsalmen en een litanie zijn er gebeden tot Anna (en Joachim) als moeder en ouders (van Maria), verschillende gebeden tot Maria en een gebed tot Jozef, een hymne en een passiegebed tot de ledematen van Christus, verdeeld over de zeven dagen van de week. Ook zijn er misgebeden, zoals een serie communiegebeden die de plechtigheid volgen voor, tijdens en na het ontvangen van het H. Sacrament, gebeden bij de absolutie, tot dankbaarheid, tot het H. Aanschijn, tot het H. Kruis, een ochtend- en avond aanbeveling en een berouw- en biechtgebed. Deze serie wordt afgesloten door een rijmgebed als vrome bladvulling. Alijd kon ook op verschillende manieren tot Maria bidden met behulp van haar Getijden, door de Zeven Psalmen van Maria met litanie, haar Zeven blijdschappen afgewisseld met Ave Maria’s en gebeden voor verschillende Mariafeesten. De suffragiën tot heiligen worden afgesloten met een gebed tot Anna. En aan het einde volgt nog, hoe kan het anders, een serie gebeden voor de ziel, zwevend in het vagevuur, voor die van een dode vriend, gebeden voor op het kerkhof etc. Voorin het boek is een miniatuur ingeplakt van Anna-te-Drieën met daarop het wapen van Kijfhoek – een bidprentje dat functioneert als een soort ex-libris. De nadruk die Anna, beschermheilige van huwelijk en gezin, krijgt, is niet vreemd in een boek dat vermoedelijk een huwelijksgeschenk was en waaruit de eigenaresse haar hele huwelijksleven heeft kunnen bidden. Dat zij het ook gebruikt heeft, mag afgeleid worden uit het aantal sporen van (nu verdwenen) pelgrimstekens die waren ingenaaid, een praktijk die we tot in het begin van de 16e eeuw zien optreden. 

In de familie
Al in het jaar na het huwelijk van Claas en Alijd kwam het moment dat de laatste gebeden in het boek (i.e. die voor het zielenheil) in familieverband overwogen moesten worden. Schoonvader Gerrit van Assendelft overleed in 1486. De rijke erfgename Alijd van Kijfhoek (1470-1540) werd al als zesjarig meisje verloofd met Johan van Assendelft, oudste zoon en erfgenaam. Toen deze in 1480 stierf, werd de gunstig geachte familieverbintenis gecontinueerd met de jongere Nicolaas zoals nog datzelfde jaar werd vastgelegd. Daarbij werd afgesproken dat zij naar het huis van haar schoonvader zou worden ‘gebracht ende gelevert’ om in afwachting van het huwelijk door haar aanstaande schoonmoeder ‘heerlicken’ te worden opgevoed. De familie bezat onder meer het slot Assumburg bij Heemskerk en had als hoofresidentie een huis aan het Westeinde in Den Haag. Toen Beatrijs en Gerrit in 1482 hun testament opmaakten, waren er van hun vijf kinderen nog drie in leven. Het huwelijk tussen Nicolaas en Alijd kon in 1485 worden gesloten toen het meisje vijftien was. In hetzelfde jaar werd ook de regeling voor de oudste dochter getroffen. De ouders hadden hun zaken op tijd geregeld. Gerrit van Assendelft werd begraven in de familiekapel in de Grote of St. Jacobkerk in Den Haag, waar zes jaar later, in 1492, ook het lichaam van Beatrijs werd bijgezet. Claas en Alijd erfden het kasteel Assumburg en de residentie in Den Haag met alles wat daarbij hoorde. Sindsdien zijn het gebedenboek van Beatrijs van Dongen van Dalem en het getijdenboek van Alijd van Kijfhoek via de kinderen van Claas en Alijd – ze kregen er zeven – tot in de 18e eeuw in de familie gebleven. Generaties lang zijn de fraaie boeken gekoesterd. Ze zijn vrijwel perfect bewaard met behoud van de prachtig gekleurde versieringen en van de ruime, grote marges van de bladen die nooit zijn bijgesneden. 

Noten
1 Vanwege haar ‘weekheid’ (zwakke gezondheid?) werd afgesproken dat het meisje haar eigen dagindeling mocht kiezen, en mocht eten en drinken wanneer zij wilde. Het stond haar vrij weg te blijven van de koorgebeden en zij viel niet onder de discipline van de dagelijkse arbeid – daartegenover stond een ruime vergoeding van haar ouders, gegarandeerd uit een jaarlijkse rente. Beatrijs verklaarde op eigen verzoek te zijn ondergebracht. 
2 Zie de 5-delige bijbel van Thomas a Kempis of de 6-delige Zwolse bijbel, Golden Ag, cat. nrs. 22 en 85.
3 Dat er nog een derde schilder bij de uitvoering was betrokken, laten we hier buiten beschouwing.

Literatuur 
B. Koene, Voor God, graaf en geslacht. De kroniek van de ridders van Assendelft, Hilversum 2005
The Golden Age of Dutch manuscript painting (J.H. Marrow, inleiding; H.L.M. Defoer, A.S. Korteweg en W.C.M. Wüstefeld). Stuttgart 1989/New York 1990, 274.
B.A. Vermaseren, Het klooster Sancta Maria in Monte Sion’. Pijnacker 1981.
W.C.M. Wüstefeld, ‘Delftse handschriftenproduktie en de boeken van de familie Van Assendelft’, in: Delfia Batava, Jaarboek 1992, pp. 9-42, sec. 22, 24, afb. 5, 6.
Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw, A.S. Korteweg (red.). Zutphen 1992, nr. 49, afb.


Up

Last modified: Nov. 24, 2009

Home

Library Research Institute Publishing House Online Exhibitions


Copyright © 2009 Bibliotheca Philosophica Hermetica
All rights reserved

Comments or suggestions to the site editor: bph@ritmanlibrary.nl

Home URL: http://www.ritmanlibrary.nl