|
11. Waardering van het boek
Sober of rijk?
Uit de levensbeschrijvingen van de Moderne Devoten komt naar voren dat voor hen het ideale boek, een oetmoedich boek was, schamel, eenvoudig en onaanzienlijk. Een sober boek, dat vooral wegens de inhoud gewaardeerd werd en niet tot curioesheit (= afleiding, nieuwsgierigheid) zou leiden – zoals geheel in overeenstemming was met hun levenshouding. Maar naast sobere boeken zien we uit deze devote kringen ook prachtig gekleurde, gedecoreerde handschriften. Thomas a Kempis, zelf een bekwaam kopiist in het klooster Agnietenberg bij Zwolle, stelde dat een boek dat met grote inspanning geschreven was en voor veel geld gekocht, een boek dus dat er goed uitzag, zorgvuldiger behandeld zou worden en daarmee een grotere overlevingskans had dan een ‘voddig’ boek.
Oost Nederland
Uit diverse bronnen zijn we geïnformeerd over de boekproductie in de eigen huizen. Uit bijvoorbeeld de kronieken van Windesheim, Agnietenberg en het Gregoriushuis te Zwolle, weten we dat er daar naast schrijvers ook goede verluchters werkzaam waren, die bovendien zeer gewaardeerd werden. Lydia Wierda heeft onderzocht hoe de Moderne Devoten twee idealen hanteerden waar het boeken betrof. Voor eigen gebruik maakten ze sobere, degelijke boeken, maar ‘heilige’ boeken voor de mis of bijbels, ook voor gebruik in eigen huis, werden met veel zorg geschreven en verlucht. Dat gold ook voor de boeken die voor derden bestemd waren, waarbij de smaak en de beurs van de klant bepalend waren voor de meer of minder kostbare uitvoering ervan. In de IJsselstreek, de bakermat van de Moderne Devotie, werden overigens geen overdadig verluchte boeken gemaakt: de verluchting stond in dienst van de tekst. ‘Frivole drôleriën’, zo schrijft Wierda, worden er zelden aangetroffen. Zij heeft ook naar voren gebracht hoe de leerlingen in het Domus Parva in Zwolle, het huis naast en onder hoede van het Domus Major, het Gregoriushuis van de broeders van het Gemene Leven, betrokken waren bij de boekproductie. De jongens kopieerden zoveel boeken dat zij er zelfs een grote voorraad van hadden. De broeders noteeerden in het kasboek van 1488, het Liber accidentalium, een hoeveelheid van zelfs xl oraria, veertig getijdenboeken, naast vele andere boeken. Dat een van deze leerlingen een foutje maakte bij het kopiëren van de heiligennamen in de kalender en deze foutgespelde ‘Sarijs’ (in plaats van Marijs op 19 januari), talloze keren, onnadenkend, is overgenomen, heeft geleid tot de suggestie dat de leerlingen in het Domus Parva in Zwolle een rol gespeeld hebben in de productie van een grote groep getijdenboeken: de naar deze niet-bestaande heilige genoemde ‘Sarijs-handschriften’.
Soberheid in BPH 50 en BPH 51 (nrs. 16 en 17)
Op grond van het taalgebruik en de decoratie weten we dat de handschriften BPH 50 en BPH 51 in de IJsselstreek zijn gemaakt. BPH 50 is een echt Sarijs-handschrift (met Sarijs in de kalender op 19 januari) en ook de zes miniaturen zijn vermoedelijk in Zwolle geschilderd. In BPH 51 ontbreekt Sarijs maar de gehistorieerde initiaal en alle randversieringen zijn in de stijl van de IJsselstreek geschilderd, mogelijk door van een van de Zwolle-Meesters. De zes ingevoegde miniaturen echter zijn van de hand van een miniaturist die werkte in de stijl van Antonies Rogiersz uten Broec, een vrij gevestigde ambachtsman die in de jaren 1465-1485 in Utrecht werkzaam was en daarbij ook de markt in Amersfoort bediende. Het kan zijn dat zijn stijl navolging kreeg in een van de IJsselsteden of dat de miniaturen los ‘op de markt’ werden verkocht en vervolgens bij dit vrij sober versierde handschrift ingebonden zijn. Dat beide boeken in Oost-Nederland een bestemming hebben gevonden blijkt uit de oudste eigendomsinscripties. In BPH 50 voegde Alijt van Hengelen (Hengelo?, f. 171v) nog in de 15e eeuw haar naam toe; in BPH 51 heeft Anna van Eschede in het begin van de 16e eeuw haar naam vereeuwigd (f. 13v). Wellicht is zij de Anna van Eschede, dochter van Anna van Bevervoerde en Hinrich van Eschede die in 1531 genoemd wordt in archiefstukken van Delden en Almelo (Overijssel)?
Doorwerking van de Moderne Devotie
Hoe men de Moderne Devotie ook definieert, het is een beweging geweest die verschillende ontwikkelingsfasen heeft doorgemaakt van ‘groei, bloei, verwatering en verandering’. Centraal stond de spiritualiteit, de vernieuwde innigheid, het innerlijk terugtrekken uit de wereld dat mede door Geert Grote op gang was gebracht. Het werd tot een tastbare beweging onder gewone gelovigen, binnen informele religieuze gemeenschappen en daarna ook steeds meer in het geordende kloosterleven. De doorwerking van de idealen van de Moderne Devotie begon via de steden van de IJsselstreek. Vanaf het moment dat er congregatievorming optrad, ontstonden er vele nieuwe stichtingen in de IJsselvallei, Holland en het Sticht. Windesheim bij Zwolle, onder de regel van Augustinus, werd in 1387 gesticht en van daaruit in 1395, Agnietenberg. Van alle Windesheimse huizen was de praktijk dat ze zich van de wereld afschermden. Wie zich bij de Congregatie van Windesheim wilde aansluiten, zoals vele reguliere kanunnikenkloosters deden, moest contemplatie voorop stellen. Het onderhouden van de eredienst en het koorgebed, en ook het kopiëren van handschriften stond boven de armenzorg of de zielzorg. Binnen en buiten de IJsselsteden ontstond een sterke cohesie onder goed geschoolde leiders. Hierbij hebben de kartuizers een stimulerende, invloedrijke rol gespeeld. Waar men onder de indruk van het elan van de nieuwe stichtingen was geraakt, ontstond eveneens belangstelling om tot vernieuwing, hervormingen en observantie (naleving van de regels) te komen. Tegelijkertijd bleef toch ook het lakse leven in veel oude instellingen, waar Geert Grote zich al tegen gekeerde had, tot ver in de 15e eeuw een punt van kritiek en zorg, ook van de hoogste kerkelijke overheden.
Observantie en visitatie: Nicolaus van Kues
Zelfs onder de pauselijke curie waren hervormingsgezinde geleerden, die de Devoten en hun beweging steunden. De sterk door de Moderne Devotie beïnvloede kardinaal-legaat Nicolaus van Kues of Cusanus ondernam in 1450-1451, op gezag van de paus, een hervormingsreis door de Nederlanden, waarbij hij een groot aantal kloosters visiteerde, en daarbij ook hun bibliotheken bezocht. Hij begon in de IJsselstreek, de bakermat van de Moderne Devotie, en was onder de indruk van de eenvoud en discipline onder andere in Diepenveen en Windesheim. Elders drong hij erop aan dat religieuze huizen zonder erkende regel er een aan zouden nemen. In andere kloosters, zoals de oude, rijke nonnenkloosters met privébezit, relatieve luxe, beperkt gemeenschapsleven en soepele omgang met clausuur (slot, afzien van contacten met de buitenwereld) probeerde hij de observantie van de leefregels te herstellen, veelal zonder succes. Juist in deze eeuwenoude, adellijke vrouwenkloosters (zoals Rijnsburg en Koningsveld) kreeg de Moderne Devotie, vooral om politieke en sociale redenen, geen navolging. In de oude adellijke mannenkloosters zoals de Utrechtse Paulusabdij en de abdij van Egmond waren de hervormingen succesvoller. In Egmond ontdekte Nicolaus van Kues in de bibliotheek trouwens nog een tekst waarnaar hij lange tijd en in alle bibliotheken gezocht had.1 Hij vroeg de abt het boek voor hem tegen betaling te kopiëren. Deze liet dit doen ‘precies, in de mooiste letters en op zijn eigen kosten’, ille exactissime in optima littera proprio precio descriptum domino pape graciosum munus offerri fecit. Hoezeer Cusanus († 1464) persoonlijk hetgeen vanuit Deventer tot stand was gebracht waardeerde, blijkt uit het feit dat hij in die stad, waar hij tijdens zijn inspectiereis enige weken verbleef, de Bursa Cusana gesticht heeft, een huis voor studenten van de Latijnse school. In zijn geboortestad Kues (aan de Moezel) bouwde hij een gasthuis waar de levenswijze die van de lekenbroeders in Windesheim zoveel mogelijk moest benaderen, jaarlijks te visiteren door de prioren van de kartuizers en regulieren te Koblenz.
Ten slotte
Omstreeks 1375, dus voor de activiteiten van Geert Grote, bestonden er zo’n 170 tot 175 religieuze gemeenschappen in ons land. Men heeft uitgerekend dat er in de 15e eeuw een verdrievoudiging heeft plaatsgevonden. Van de honderden nieuwe huizen en conventen was meer dan tweederde bestemd voor vrouwen. Door inkomsten uit eigen handwerk konden deze religieuzen zich op de beoefening van de vernieuwde innigheid richten. Zij mochten volstaan met een verkort officie in de volkstaal en hoefden niet al hun tijd aan het zingen van de getijden te besteden. Deze nieuwe manier van religieus samenleven kreeg een vastere institutionele fundering toen er besloten werd tot omvorming tot echte kloosters, in de congregatie met de derde regel van Franciscus of als regulieren of regularissen onder de regel van Augustinus. Een aantal van vooral de vrouwenconventen werd door de biechtvaders richting clausuur gedrongen. Het kerkelijk gezag, vertegenwoordigd door de pauselijke legaat Nicolaus van Kues, was bereid ook die conventen die de regel van Augustinus volgden zónder het volledige koorofficie te bidden als klooster te erkennen, als zij tenminste orthodox en kerkgetrouw waren bevonden. Deze bereidheid wijst echter voornamelijk op de grote bezorgdheid van Kues over de gevolgen wanneer deze vrouwen aan hun eigen beslissingen werden overgelaten. Doordat zij de kloostergeloftes af moesten leggen door tussenkomst van visitatoren, werden de vrouwen onder de prioren van Windesheim en Sion gesteld. Er is slechts één vrouwengemeenschap van de Zusters van het Gemene Leven geweest, het Adamshuis in Zutphen, die vanaf de stichting in 1397 tot aan de Reformatie in 1581 vasthield aan een leven zonder erkende regel.
Kracht
De grote kracht van de beweging van de Moderne Devotie was de aandacht voor de geestelijke groei van elk individu. Boeken speelden hierin een fundamentele rol, veel meer om de nuttige inhoud dan om het fraaie uiterlijk. Een nuttige inhoud voor alle gelovigen en iedereen, of, zoals Geert Grote het verwoordde: ‘Dat boeck en hoert uwe niet toe, mer ghi hoert den boecke toe’.
Noten:
1 Rabbi Moyses, De interpretatione quarundam dictionum [over de interpretatie van bepaalde gezegden] welke apud hebreos obscure et ambigue [bij de joden onduidelijk en dubbelzinnig] waren. Wüstefeld 1989, p.38
Literatuur:
Jos. M.M. Hermans, 'Schoolboys and bookproduction in late medieval Zwolle', in: Manuscript Studies in the Low Countries. Groningen 2008, 21- 59
K. van der Hoek, ‘Antonisz. Rogiersz. Uten broec. Een verluchter uit Utrecht werkzaam in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden’, in: Oud Holland, vol. 117 (2004), 119-136
R. Hofman, ‘De functionaliteit van handschriften uit de Moderne Devotie’, in: Geen povere schoonheid. Laat-middeleeuwse kunst in verband met de Moderne Devotie, K. Veelenturf (red.), Nijmegen 2000, 169-191
H. Mol, ‘Epiloog: De Moderne Devotie en de vernieuwing van het kloosterlandschap’, in: Monastiek Observantisme en Moderne Devotie in de Noordelijke Nederlanden, Hilversum 2008, 213-231
L. Wierda, ‘Een oetmoedich boek’, het ideale boek bij de Moderne Devoten, in: Geen povere schoonheid. Laat-middeleeuwse kunst in verband met de Moderne Devotie, K. Veelenturf (red.), Nijmegen 2000, 155-168
L.S. Wierda, De Sarijs-handschriften. Studie naar een groep laat-middeleeuwse handschriften uit de IJsselstreek (voorheen toegeschreven aan de Agnietenberg bij Zwolle). Proefschrift Universiteit van Groningen. Zwolle 1995, passim (zie register p. 202), kleurenpl. 10, afb. 51, 83; floppy disk, 7-10.
|