Ritmanlibrary - Bibliotheca Philosophica Hermetica
LibraryResearch InstitutePublishing HouseOn-line Exhibitions
THE LIBRARY OF HERMETIC PHILOSOPHY IN AMSTERDAM

 

back

  Lees meer / capita selecta
Voorwoord
1
Sleutel tot licht: inleiding
2
Het Getijdenboek van
Geert Grote
3
Het boek, een ruimte
4
Licht en genade: overwegingen bij miniaturen in de Adair getijden (BPH 131)
5
Getijden van de Eeuwige Wijsheid (BPH 152, BPH 153 en BPH 134)
6
Mystieke cultuur, vrouwen en boeken in Delft (BPH 132)
7
Schrijven voor de kost: het klooster Lopsen te Leiden
(BPH 11, BPH 15, BPH 79 en BPH 163)
8
Bidt voer alle hoer sielen: memorie in Haarlem
9
Meeleven met Maria (BPH 151)
10
Spirituele aandacht van de vrouwen van Assendelft
(BPH 137 en BPH 158)
11
Waardering van het boek
12
Figuren in de marges:
symbolische betekenis van dieren en planten
  Verantwoording van de auteurs
  Inleidende diapresentatie


3. Het boek, een ruimte


Getijden: gebruik en overlevering
Taal
Visueel
Spirituele weg
Een eigen wereld, eigen ruimte 
Devotiebeelden
Tijdsdocument
Literatuur

Grote verwijst naar Dionysius in dat het goddelijke licht de mens verlicht door zich te omsluieren met vele betekenisvolle, heilige sluiers. Deze heilige sluiers zijn de zintuigelijke voorstellingen, die wij ons vormen van het goddelijke. Wie derhalve deze lijfelijkheid ontwijkt komt nooit tot goddelijk inzicht. Juist via de lichamelijke beeldtaal laat het goddelijke haar diepe indruk na in de ziel; ‘Zo kunnen, wonderlijk genoeg, de smaak, de lichamelijke honger en dorst op voorafbeeldende wijze de mens zintuiglijk trekken naar de goddelijke werkelijkheid, naar een geestelijke dorst, honger en smaak’ (r. 739-741) Waaijman 2000, p. 38

Getijden: gebruik en overlevering
De getijden gaven structuur aan het dagelijks leven, niet alleen van kloosterlingen maar ook van leken. In kloosters en in steden werden op vaste uren van de dag (acht getijden) de kerkklokken geluid, waarbij van ieder werd verwacht dat hij een (kort) gebed zei. Voor geestelijken was het volgen van de liturgie, van metten tot completen, een dagelijkse taak. Dit zelfde ritme werd gevolgd door lekenbroeders, begijnen en Moderne Devoten in de huizen van het Gemene Leven. Maar in hoeverre geschoolde leken, burgers in de steden of rijkere bewoners van het platteland, telkens als de klokken luidden, ook daadwerkelijk de gebeden in hun getijdenboek lazen, is niet bekend. In aanvulling op de selectie van psalmen, hymnen en evangelielezingen, de standaardteksten, kan de inhoud van getijdenboeken aanzienlijk verschillen waar het de kalenders en toegevoegde gebeden betreft. De keuze daarvan werd beïnvloed door regionale prioriteiten en persoonlijke voorkeuren. Omdat aan de hand van het getijdenboek vooral momenten uit het lijden en de dood van Christus werden overwogen, vindt men soms passende illustraties toegevoegd, ofwel afbeeldingen uit de jeugd van Christus ofwel uit het passieverhaal. De miniaturen en gehistorieerde initialen werden dan ingevoegd bij het begin van verschillende tekstonderdelen, zoals door Anne Korteweg in het voorgaande hoofdstuk is beschreven. De in dit boek beschreven getijdenboeken stammen zowel uit kringen van leken als uit religieuze gemeenschappen (zie bijvoorbeeld nr. 13, BPH 137 en nr. 12, BPH 158; en: nr. 10, BPH 132 en nr. 8, BPH 153). Enkele bleven soms generaties lang in een familie in gebruik. Andere werden aangepast aan de nieuwe smaak of behoefte van een gelovige. Soms bracht men boeken mee bij de intrede in een klooster of op een begijnhof, maar er zijn er ook die gekopieerd zijn voor persoonlijk gebruik. Daarnaast werden boeken in opdracht geschreven, of geschonken en nagelaten door familieleden of bekenden. Privébezit van boeken werd in religieuze gemeenschappen – zelfs als men de gelofte van armoede had afgelegd – oogluikend toegestaan; vaak werden ze dan later aan de instelling gelegateerd; ook kwam het voor dat boeken door meerdere zusters gebruikt werden. 

Taal
bph1
So wie onsen lieven heer een croen wil maken ter eer ende ter waerdicheit sijnre heiligher passien .. so wie se … leest die doet onsen lieven heer enen behaechlike dienste

Het getijdenboek was redelijk eenvoudig te lezen en praktisch te gebruiken. Men kon er selectief uit putten naar eigen behoefte. Meer dan 90 procent van de bewaarde getijdenboeken uit onze streken, is in de volkstaal geschreven en bevat de versie van Geert Grote. Tot laat in de Middeleeuwen werd het geestelijke leven gestuurd door teksten in het Latijn. Alle bijbelteksten en alle gebeden werden door de priesters in het Latijn voorgedragen. Dit gold niet alleen voor de gebeden van de misvieringen en de dagelijkse heiligenfeesten, maar ook voor de gebeden die bij het dopen van kinderen, bij het trouwen en sterven hoorden. Eeuwenlang heeft de kerkelijke overheid zich verzet tegen het vertalen van religieuze teksten in de volkstaal, vooral om te verhinderen dat men zelf – zonder begeleiding van een geestelijke – teksten ging lezen en interpreteren. In de 14e eeuw echter ontwikkelde de taal van de mystiek zich onder sterke Duitse invloed. De taal van Eckhart, die Duitse vormen schiep voor het wijsgerige denken, had invloed op de taal van Ruusbroec en van andere vrije geesten. Nieuwe termen als indruc, invloet, iegenworp (= objekt), yersticheit ( = essentie), isticheit (= idem,), ghensterlijn (= vonk) werden overgenomen of naar analogie gevormd. In de kloosters en fraterhuizen werd vooral gemeenschappelijk (voor)gelezen tijdens de maaltijden in de refter. In de vrouwengemeenschappen en in de lekenrefters gebeurde dit in de loop van de 15e eeuw steeds meer in de volkstaal. Om een persoonlijk gericht, religieus leven te kunnen leiden, om Christus na te kunnen volgen zoals door de Moderne Devoten bepleit werd, daarvoor moest men begrijpen wat men las en hoorde. Daarom werd steeds meer in de volkstaal geschreven en daarom ook vertaalde Geert Grote het getijdenboek in het Nederlands.

Visueel
De nieuwe devotie veronderstelde een sterke participatie, uitgedrukt in bewoordingen als: siet nu voert, aenbedet en volghet hem na…. Juist onder Moderne Devoten pleitte men voor eenvoud van taal en voor het gebruik van simpele bewoordingen. Figuratieve taal, dat wil zeggen het schrijven of spreken in beelden, in verstandige verbeeldingen, zoals Geert Grote schreef in De quattuor generibus meditabilium, was onderdeel van de goddelijke pedagogie. Ook Christus zelf sprak in gelijkenissen. Figuren, schetsen, gelijkenissen, zelfs figmenta (verzinsels) kunnen iets, dat moeilijk te begrijpen is, concreet maken. Dit geldt ook voor zaken uit het verleden. Visuele vormen en beeldtaal verbonden devote zielen met de Christus-gebeurtenis. Als het verleden verbeeld kon worden, zou dat meer indruk op het heden maken. Het verleden kwam de geest gemakkelijker binnen door iets dat aanwezig was. Om Christus en de heiligen tot de gelovige te brengen, hing veel af van de vrome verbeelding. Daarmee kon men zich voor Christus plaatsen, voor hem knielen, met hem converseren, hem om hulp of raad vragen. De gelovige bood zichzelf aan hem aan als vrome, gehoorzame dienaar; hij zocht als het ware in één huis te wonen. 

Spirituele weg
Geert Grote steunde het gebruik van beeldtaal als het begin van de spirituele weg, het begin van het ‘opwekken van de ziel’, om vervolgens tot de kern door te dringen, tot zaken die voorbij het concrete gaan. Moeilijke zaken zijn niet gemakkelijk te begrijpen. Geloven is gebaseerd op horen, op luisteren en wordt uiteindelijk bereikt door te abstraheren: door steeds abstracter te denken, in een langzame, geleidelijke tijd en inspanning vergende overgang van het zichtbare naar het onzichtbare, het essentiële. Zo kan de fysieke honger, dorst en smaak in een prefiguratieve manier iemand tot de goddelijke werkelijkheid brengen, tot spirituele honger, dorst en smaak. Het fysieke en spirituele gaat dus hand in hand. Volgens Geert Grote zijn ‘deze zintuiglijke voorstellingen noodzakelijk voor het spirituele proces’ (Waaiman, 2000, 33). De christelijke meditatie is gebaseerd op de lezing van door God geïnspireerde teksten, de lectio divina. Het lezen is geen vluchtig kennisnemen van de tekst, maar een aandachtig en zorgvuldig in zich opnemen en overdenken daarvan, de meditatio. Het doorgronden en overdenken stelt het visuele vermogen in werking, het gelezene wordt als vanzelf verbeeld. De meditatie is sterk visionair getint. Maar ook beelden zijn voorbijgaande hulpmiddelen. Meditatie kan zich verdiepen tot contemplatie, zodat er een andere bewustzijnstoestand optreed. Uiteindelijk moet de mens zich los maken van woorden en moet ‘het zien’ verglijden tot beeldloze ‘schouwing’. De ruimte van God is ‘onzegbaar’ en ‘onverbeeldbaar’. Voor velen echter was dit een (te) hoog gegrepen ideaal. De behoefte aan fysieke visualiteit leidde dan ook in de tweede helft van de 15e eeuw tot een enorme toename van verbeeldingen, in hout en steen, op glas, perkament en papier. 

Een eigen wereld, eigen ruimte
bph2
Ende men leest hoe in eenre tijt sint bernaert dit gebet las voerden cruce ende het wort ghesien hoe dat beelde vanden cruce hem lossede ende gaf hem neder ende ommehelsede sinte Bernaert

Het getijdenboek is wel een ‘kathedraal in zakformaat’ genoemd, een abstract bouwwerk, een handleiding voor een religieus lekenbestaan (Haveman, 2002, 5, in navolging van Roger Wiecks Notre-Dames op zakformaat). In een boek krijgen teksten een plaats in een groter geordend geheel waarbij de miniaturen een eigen wereld kunnen scheppen of die van de tekst aanvullen. De betekenis van miniaturen in een gebedenboek ligt op verschillende niveaus. De afbeeldingen krijgen niet alleen meer betekenis in de mate waarin ze verwijzen naar de tekst. Ook in de gedachten van de beschouwer zijn verschillende ‘lagen’ van interpretatie en werking mogelijk. Het boek of de miniatuur is niet alleen een object, maar het schept ook een ruimte waarin de gebruiker binnengaat. Het boek kan men beschouwen als een ‘omvattende tempel’, een ruimte waarin een wereld kan worden ervaren, en waarin miniaturen, religieuze kunstwerkjes, ook een plaats krijgen. Daarbij kan men zich afvragen hoe zij werken en hoe zij een wereld scheppen. De betekenis ervan is niet alleen te vinden in wat de verbeelding uit zichzelf te zeggen heeft, maar ook in de ruimte die het schept. Het doet iets met ons, de beschouwer: het creëert een ruimte voor ons, neemt ons op in die ruimte, openbaart een wereld. De functie van de afbeelding is in feite een verwijzende, een wereldscheppende functie waarvan de betekenis wordt betrokken bij de overwegingen uit de tekst.

Devotiebeelden
bph3De afbeeldingen geven visuele sleutels voor de inhoud en betekenis van de teksten of onderdelen daarvan en stimuleren tot de juiste meditatie. De gebruiker van het boek is de schakel tussen de aardse wereld en het gewijde tafereel. De beschouwer is er tegelijkertijd van gescheiden en erbij betrokken. Devotiebeelden zijn ‘goed’ of doeltreffend als ze de vrome beschouwer verwijzen naar iets dat boven het voorgestelde uitstijgt. Het beeld moet de beschouwer helpen op weg te gaan naar het ‘onzichtbare’. Het moet van goede kwaliteit zijn en het voorgestelde goed uitbeelden, en als het niet de beoogde werking heeft, is het in feite mislukt. Toch zullen verschillen in het vermogen van de beschouwer ook hier een belangrijke rol spelen, want niet ieder heeft het in zich om ‘het hoge’ te bereiken. Daarbij zullen juist de beste kunstenaars de ervaringen van de gebruiker van het boek op een bijzondere manier sturen. Als de gelovige de miniaturen bekeek, dan werd hij of zij geleid door een breed scala van gevoelens en waarnemingen. Daarmee werd men gebracht tot contemplatie of andere religieuze ervaringen en overpeinzingen. Het boek en de afbeeldingen steunden de gebruiker in het verlangen elke dag weer in deugdzaamheid te groeien, naar voorbeeld van Christus. 

Tijdsdocument
bph4Geworteld in een specifieke historische situatie (tijd, plaats, opdrachtgever), kunnen deze bijzondere ‘Gesamkunstwerke’ zowel het oog als de geest vasthouden. Een bekwame kunstenaar weet de ruimte tussen afbeelding en tekst op suggestieve wijze te overbruggen en inhoud te geven. Uitzonderlijk bekwame miniaturisten weten een diepere, geestelijke werkelijkheid van het Christusmysterie weer te geven. Daarbij zijn de miniaturen tevens tijdsdocumenten: zij getuigen van de individuele worsteling van de kunstenaar met het lijden van Christus. In het begin van de 15e eeuw werden getijdenboeken nog speciaal in opdracht vervaardigd. Een miniatuur in een middeleeuws handschrift was geen ‘openbaar kunstbezit’: ze waren niet algemeen toegankelijk. Als het boek waar ze in stonden niet zoekraakte of werd verkocht, dan kwam het meestal pas na het overlijden van de bezitter in andere handen, bijvoorbeeld van een erfgenaam of een ander aangewezen persoon. Voor hem of haar kreeg het boek dan een eigen betekenis. We zien dan ook dat in het begin van de 16e eeuw veel boeken worden voorzien van nieuwe afbeeldingen en gebeden, aangepast aan de smaak van de nieuwe eigenaar en de nieuwe tijd. Nu nog steeds beleeft de beschouwer juist in de interactie van woord en beeld de bijzondere zeggingskracht van het middeleeuwse getijdenboek.

Literatuur:
R. van Dijk, ‘Thematische meditatie en het beeld: visualiteit in De spiritualibus ascensionibus van Gerard Zerbolt van Zutphen (1367-1398)’, in: K. Veelenturf (red.) Geen povere Schoonheid. Laat middeleeuwse kunst in verband met de Moderne Devotie, Nijmegen 2000, 43-63
M. Haveman, ‘Kathedralen in zakformaat’, in: Het getijdenboek. Kunstschrift 6 (2002), 3-5
J. H. Marrow, As Horas de Margarida de Cleves / The Hours of Margaret of Cleves, Lisboa 1995
K. Waaijman,‘Image and Imageless’, in: Spirituality renewed. Studies on significant representatives of the Modern Devotion, Leuven 2003, 29-40; eerder gepubliceerd als ‘Beeld en beeldloosheid’, in: K. Veelenturf, Geen povere Schoonheid. Laat middeleeuwse kunst in verband met de Moderne Devotie, Nijmegen 2000, 32-42
R. S. Wieck, Time Sanctified. The Book of Hours in Medieval Art and Life. Baltimore | New York 1988
W.C.M. Wüstefeld, ‘Grensoverschrijdend. De miniaturen in het getijdenboek van Margaretha van Kleef’, in: Ph. Verdult (red.), God en Kunst. Over het verdwijnen en het verschijnen van het religieuze in de kunst. Nijmegen 2008, 41-57

Bijschriften:
BPH 145, ff. 123v
BPH 158, f. 63r Christus aan het kruis omarmt Bernardus
BPH 148, f.138v Christus als man van smarten
BPH 131, f. 55v De miniatuur Christus als rechter bij het laatste oordeel getuigt van de hoop van de gelovige die de weg bewandelt, die leidt naar het eeuwig leven en de verlossing. Het zegenend gebaar van Christus is dan ook bestemd voor elke gelovige die uit het boek bidt

Up

Last modified: Dec. 11, 2009

Home

Library Research Institute Publishing House Online Exhibitions


Copyright © 2009 Bibliotheca Philosophica Hermetica
All rights reserved

Comments or suggestions to the site editor: bph@ritmanlibrary.nl

Home URL: http://www.ritmanlibrary.nl