|
4. Licht en genade:
overwegingen bij miniaturen in de Adair getijden
Het Adair getijdenboek
Dit in Latijn geschreven getijdenboek behoort tot de meest bijzondere verluchte handschriften uit de Noordelijke Nederlanden. De schilder, die omstreeks 1490 in Delft of omgeving werkzaam was, heeft niet alleen enkele getijdenboeken verlucht (o.m. ms. Leeds, Brotherton 7) maar ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het prachtige brevier van Beatrijs van Assendelft (Utrecht, Museum Catharijneconvent, ms. OKM 3, zie hoofdstuk 10). In zijn werk toont hij zich een origineel schilder. Het Adair-getijdenboek kreeg zijn plaats in de Bibliotheca Philosophica Hermetica juist vanwege de veelzijdige miniaturen van deze meester, die zijn theologische kennis op bijzondere wijze wist te verbeelden.
Licht, warmte en de Drie-eenheid
De ziel drijft ons naar een steeds inniger vereniging met ‘onse ewighe sake’. Of, zoals Ruusbroec het verwoordde: de geest vlietet ute Gode, ende si hanghet in Gode, ende si keret weder in Gode alse in hare ewighe sake. Het mens zijn ‘hanget’ volgens Ruusbroec in het goddelijk leven van de Drie-eenheid. Licht en donker zijn als kenmerk van de godheid samen verbonden. Het licht komt uit het goddelijke donker voort, waarbij God de Vader de scheppende oorsprong is. Bij de Drie-eenheid worden de Zoon en de Heilige Geest gekenmerkt door activiteit en licht of warmte en de God de Vader door rust en donker. Licht en warmte staan op één lijn: beide maken deel uit van de genade. Er zijn twee soorten donker: het goddelijke donker waar het licht uit voortkomt en donker als de afwezigheid van licht. De tegenstelling licht – donker is al in de bijbel te vinden en krijgt vervolgens veel aandacht bij (pseudo-) Dionysius de Areopagiet (de vermeende bekeerling van Paulus, aan wie een 5e-eeuws mystiek en neoplatonistisch getint corpus toegeschreven werd) en Johannes Scotus ‘Eriugena’ (de 9e-eeuwse vertaler van de werken van Dionysius). Genesis spreekt van ‘uit het donker voortkomend licht’: God schiep het licht vanuit de duisternis. De lichtthematiek wordt in mystieke teksten gebruikt om er mystiek gedachtegoed mee te verwoorden: om God te omschrijven, om de groei van de ziel en de inwerking van God (of de ‘minne’) op de ziel te schetsen. Door de zonde, die als een scherm tussen God en de mens staat, verkeert de ziel nog in duisternis. Licht is een fundamenteel deel van de mystieke ervaring, het is een reëel aspect van de mystieke beleving, die moet leiden tot het hoogste, tot God, tot Eeuwige Wijsheid. Of, zoals Geert Grote verwoordt in zijn getijden: Boven salicheit ende alle scoonheit heb ic ghemint wijsheit en hebben ghemeent dat icse liever soude hebben dan tlicht, want al goet is mi te samen mit haer gecomen (Getijden van de Eeuwige Wijsheid, ed. Weiler 1984, 60).
Drie-eenheid verbeeld en verwoord
In de bijzondere miniatuur van de Drie-eenheid heeft de Meester van de Adair Getijden de Vader en de Zoon tegenover elkaar geplaatst voor een oplichtende, gouden achtergrond. Zij zijn in hun mantel tot eenheid verbonden, terwijl hun handen de sphera, de schepping, omvatten. Daarboven zweeft de Heilige Geest in de vorm van een duif. Diens vleugels reiken tot aan het aangezicht van de Vader en van de Zoon. Hemelse, blauw gekleurde, engelen omringen de Drie-eenheid. De Kerk stelt dat de Vader en de Zoon homoousios, van hetzelfde wezen zijn. Met de leer van de Drie-eenheid samenhangend en daarvan onderdeel uitmakend is de twee-naturenleer van de Zoon, die zowel mens als God is. Kerkvader Augustinus probeert het mysterie van de Drie-eenheid uit te leggen. Dit verwoordt hij in vragen en antwoorden aan zijn toehoorders in zijn beroemd geworden preek ‘Van aangezicht tot aangezicht’ (sermo 53). Hij vraagt: ‘Doet de Vader iets wat de Zoon niet doet, of doet de Zoon iets wat de Vader niet doet?’ En antwoordt: ‘De Zoon heeft geleden, de Vader niet. Toch is het lijden van de Zoon het werk van zowel de Vader als de Zoon.’ En: ‘Als de mens het beeld van God is, is er dan ook drieëenheid in de mens? De mens heeft drie vermogens die onderscheiden zijn, maar niet afzonderlijk werkzaam: verstand, geheugen en wil.’ Door de eeuwen heen hebben kerkvaders en theologen het mysterie van de Drie-eenheid getracht te doorgronden, te verwoorden en aan de gelovigen uit te leggen – een mysterie dat de Adair meester in deze prachtige miniatuur zonder woorden heeft verbeeld.
Eenheid en genade
Paulus beschrijft de Kerk als een lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Christus en de gelovigen zijn samen één levenseenheid, één organisme, waarvan de delen, hoewel onderling verschillend, toch door éénzelfde leven doorstroomd worden zolang zij met het lichaam verbonden blijven (Efeziers 4: 7-16). Christus is de levensbron van heel het lichaam. Hoe nauwer de mens met Christus verenigd is, hoe overvloediger ook zijn leven in ons overstroomt – zoals bij de communie gebeurt, wanneer de gelovige brood en wijn, lichaam en bloed, van Christus ontvangt. Christus in de wijnpers, hier door de Adair-Meester in een prachtige miniatuur bij een Communiegebed afgebeeld, is het symbool van de goddelijke genade. Badend in het bloed ligt Christus geperst onder de breedte van de wijnpers, symbool van de passie. Het bloed wordt opgevangen in twee kelken in de hand van de paus en van een kardinaal. Hier wordt verbeeld dat de genade van Christus de gelovigen bereikt via de geestelijkheid. De taak van de mens bestaat hierin, dat hij, als lidmaat van Christus, diens dood sterft en met hem verrijst (Romeinen 6: 6-11). Als lid van Christus’ lichaam ondergaat de gelovige ook hetzelfde lot: hij wordt met hem gekruisigd, sterft met hem, wordt met hem begraven en opgewekt. Dit is de ‘navolging van Christus’. Het mee-sterven en verrijzen is een werkelijk doorstaan en betrokken zijn in Christus’ sterven. Christus is mens geworden, ‘daalde neder in dit dal van onzaligheid’, om de mens terug te leiden tot het paradijs. In de miniatuur van Christus in de wijnpers is het medicamen mysticum symbolisch afgebeeld. Door zijn voorbeeld heeft Christus de mens de weg gewezen, voor hen is hij aan het kruis gestorven, opgeofferd als een onschuldig lam: O ewighe wijsheit, scijnsel der glorien, ende een figuer der substancien des [oversten] vaders, du die alle dinc van niet ghescepen heves. Ende op dattu den mensche mochte wederleiden totter blijsscap des paradijs, so comstu neder in desen dale der onsalicheit. Ende overmits dijnre alre soetster wanderinghe so heveste hem ghewijst den wegh des paradijs weder te gaen ende om vol te doen voor allen menschen so woustu gheoffert worden dinen vader inden cruce als een onnosel lammekijn…(Getijden van de Eeuwige Wijsheid, ed. Weiler 1984, 56).
Quirinus
Het prachtig geïllustreerde handschrift bevat naast de Maria- en de Kruisgetijden ook een groot aantal korte gebeden. Omdat het geheel in het Latijn geschreven is, rijk verlucht en met talloze gouden letters versierd is, moet het boek wel van een vermogende, in het Latijn geschoolde opdrachtgever geweest zijn. De beide echtparen die het sacrament van de eucharistie ontvangen (op de hiervoor besproken miniatuur) zijn, bij gebrek aan wapenschilden, niet te identificeren. Wellicht is een van hen de eigenaar met zijn echtgenote, misschien de man die de communie van de paus ontvangt? Het andere paar zou dan zijn moeder en overleden vader kunnen zijn. Deze laatste is met de rug gekeerd afgebeeld en draagt kleding daterend uit het midden van de 15e eeuw, terwijl de andere figuren gekleed zijn naar de mode van de tijd waarin het boek gemaakt is (ca. 1490). Mogelijk was de eigenaar een jongeman die naar Quirinus vernoemd was, want het gebed bij de miniatuur van deze heilige noemt hem ‘patroon’: ‘Ego ergo miser homuncio infirmus in anima recurro ad te pium patronum’ [f. 132v]. Quirinus’ feestdag staat op 30 maart in de kalender voorin het boek vermeld, zijn naam krijgt echter geen speciale aandacht en ontbreekt in de litanie. De heilige is weliswaar de patroonheilige van de stad Neuss, 60 km ten oosten van Roermond, maar ook in Holland werd Quirinus wel vereerd. In de Oude Kerk in Delft was een altaar aan hem gewijd, de abdij Egmond kreeg in 1468 een reliek van deze heilige, en in Overveen, vlakbij Haarlem, was zelfs een kapel aan hem gewijd. Deze behoorde aan de familie van Tetrode terwijl het patronaatsrecht aan de broeders van het klooster Lopsen in Leiden toekwam. Het van oorsprong Haarlemse geslacht Tetterode of van Tetrode kende ook een Zuid-Hollandse tak die in Leiden een voorname rol gespeeld heeft. Als stamvader hiervan geldt Aernt van Tetrode (ca. 1430-1471), schout van Wassenaar en H. Geestmeester. Zijn zoon Willem († 1487) werd in Leiden een rijk brouwer. Samen met zijn echtgenote Christina heeft hij verschillende geestelijke stichtingen nagelaten zoals beschreven staat in zijn testament uit 1487. Meer dan dertig jaar later, op 16 mei 1528, beloven zijn zoons en schoonzoon Quirijn van Bergen nog eens officieel dit testament van de ‘oude vader Willem’ na te zullen komen. Dat in Leiden in die tijd tenminste drie brouwers werkzaam waren die naar Quirijn vernoemd zijn, geeft aan dat de heilige in Holland ruime bekendheid genoot.
Literatuur:
R. van Leeuwen, ‘“Dat donkere verlichte alle dinc”. Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec’, Universiteit Utrecht, doctoraalscriptie, 1996 zie: www.rozemarijnonline.net
Kees Waaijman,‘Image and Imageless’, in: Spirituality renewed. Studies on significant representatives of the Modern Devotion, Leuven 2003, 29- 40; eerder gepubliceerd als ‘Beeld en beeldloosheid’, in: K. Veelenturf, Geen povere Schoonheid. Laat middeleeuwse kunst in verband met de Moderne Devotie, Nijmegen 2000, 32-42
Voor de familie van Tetterode zie: http://members.home.nl/m.tettero
Bijschriften:
BPH 131, ff.101v-102r, Drie-eenheid - gebed tot de Dree-eenheid
BPH 131, ff. 99v-100r, Christus in de wijnpers - communiegebed
BPH 131, ff.131v-132r, Quirnus - Suffragium
|