|
5. Getijden van de
Eeuwige Wijsheid
Werken van Henricus Suso
Het werk van de Duitse mysticus Henricus Suso of Heinrich Seuse (1295-1366), die zelf Eckhart in Keulen nog gekend heeft en met Johannes Tauler bevriend was, heeft een prominente plaats in de BPH. Suso’s mystieke theologie is samengevat in de laatste hoofdstukken van zijn autobiografie in de vorm van een conversatie met zijn devote volgelinge, de non Elsbeth Stagel.1 Hierin probeert hij voor haar God te definiëren, waarbij hij gebruik maakt van taal en beeld van Dionysius: een van de namen van God is ‘goed’, de goddelijke duisternis is ‘zelf het meest helder van alle licht’, en ‘God is zowel buiten als in alle dingen’, maar God is ook ‘Eeuwige Wijsheid’. Met name Suso’s teksten over de Eeuwige Wijsheid zijn onder Moderne Devoten veel gelezen. Drie ervan zijn in Nederlandse bewerkingen wijd verspreid geweest: het Uurwerk van de Eeuwige Wijsheid, de Getijden van de Eeuwige Wijsheid en de Honderd artikelen van de passie van onze Heer Jezus Christus. Het Horologium of Uurwerk bestaat uit 24 hoofdstukken ingedeeld naar de 24 uren van de dag en is geschreven in de vorm van een dialoog tussen de Eeuwige Wijsheid (God) en de discipel (Suso). De Getijden van de Eeuwige Wijsheid maken gewoonlijk deel uit van het getijdenboek van Geert Grote. Hierin zijn de Honderd Artikelen ook vaak opgenomen (zie hiervoor het volgende hoofdstuk).
Mystieke inslag
De Getijden van de Eeuwige Wijsheid in het Getijdenboek van Geert Grote ademen een sterk liefdesverlangen, waarbij de beminde ziel centraal staat. De goddelijke inspiratie die van een ‘zij’ uitgaat, van haar die de Eeuwige Wijsheid is, tilt mensen uit boven zichzelf. De mystieke inslag van deze tekst is door de eeuwen heen gewaardeerd door hen die verlangden naar Wijsheid, naar zingeving. De Wijsheid spreekt een taal die door hen verstaan wordt. In zijn uitgave van de Getijden van de Eeuwige Wijsheid beschrijft de Nijmeegse hoogleraar Anton Weiler hoe Geert Grote in meditatie en geestelijke gesprekken zijn innerlijke zelf had leren kennen en hoe hij geleerd had systematisch aan de opbouw van dat zelf te werken en het te versterken. De wegen tot de inkeer naar binnen, naar de innigheid, naar de innerlijkheid van een op God gericht bestaan, wilde hij aan anderen wijzen. Volgens Weiler herkende Grote bij Suso ‘eenzelfde sterk verlangen om de godsvrucht en het geordende godsdienstig leven voor leken te herstellen in een wereld met een bezoedelde kerk’, waar de goddelijke liefde bijna was uitgedoofd. Suso’s werken kregen een prominente plaats op de lijst van Geer Grotes geestelijke basisliteratuur (ed. Weiler 1984, 9-10, 13).
 
Suso en goddelijke wijsheid
De goddelijke Wijsheid had Suso tot zich getrokken, hem duidelijk gemaakt wat hij moest schrijven om anderen tot een nieuw innerlijk leven te brengen. De mens was van zijn oerbeeld vervreemd zoals Plotinus, Plato en later Augustinus op zijn eigen wijze, al schreven. De Wijsheid had Suso gevonden, bood zich aan als een bruid om bemind te worden. Lof op de Wijsheid vond Suso bij Salomon (Boek der Wijsheid 7: 21-29), en ook bij Boethius, die in zijn cel zijn bruid zag verschijnen. Suso begreep dat de Wijsheid Christus is, dat het goddelijk wezen, oorsprong van alle goeds in de schepselen, de Eeuwige Wijsheid is.Hij zocht de Wijsheid te beminnen als een goddelijke bruid van de ziel. Boven alle heil en schoonheid zocht hij naar de Wijsheid, als naar de omhelzing van zijn vriendin, door Geert Grote verwoord:
Dese heb ic ghemint ende wtghesocht van mijnre ioghet ende hebse ghesocht mi tot eenre bruut tontfaen ende ic bin gheworden een minre hoerre formen. God si gheloeft.
(BPH 152, f. 75v).
Suso verwoordde de lessen van de Wijsheid en de weg waarlangs de mens tot haar kon komen in ascetische taal. Als leerling van de Wijsheid leerde hij dat kennis van de godheid gaat via kennis van het lijden van Christus. De weg van de mens terug naar zijn goddelijke oorsprong loopt via het menszijn van Christus en zijn lijden. Hij beschreef de toestand van de kerk als een ‘stad in ruïne’, waarbij ook het vuur van het oorspronkelijke kloosterleven teloor was gegaan. Suso gaf aan hoe door eenvoudige dagelijkse oefeningen de liefde tot Wijsheid vernieuwd kon worden. Dagelijks moest men de Getijden van de Eeuwige Wijsheid lezen, een eerste stap op de ladder omhoog. De Wijsheid leert ieder die op de goede weg gebracht wil worden, de eeuwige, goddelijke wijsheid tot bruid te kiezen.
Geert Grotes Getijden van de Eeuwige Wijsheid
Geert Grote ontleende aan Suso de mystieke en actieve wil tot hernieuwing van de oude vroomheid. Ook hij wilde het vuur weer ontsteken en mensen tot innigheid brengen. Net als Suso is hij een leerling van de Eeuwige Wijsheid, zoals later ook Gerard Zerbolt van Zutphen wel is genoemd. Grotes vertaling van de Getijden van de Eeuwige Wijsheid is door Anton Weiler geanalyseerd en in zijn context geplaatst. Grote heeft zijn werk vermoedelijk omstreeks 1383-1384, dus vlak voor zijn dood, voltooid. Het handschrift dat hem als vertaler van de getijden noemt, dateert van 1398 (Münster, ms. 419, verloren gegaan). Hij vertaalde en schreef gebeden als ‘voedsel voor de wil tot innerlijkheid’, om leken te helpen in hun streven naar de volmaaktheid. Deze gebeden brachten zijn vroomheidsinspiratie tot uitdrukking en deden recht aan de meer mystieke inslag van zijn spiritualiteit.
Getijden van de Eeuwige Wijsheid
Het oudste getijdenboek in de BPH is BPH 152 (zie nr. 3). Het stamt uit Haarlem en is vermoedelijk omstreeks 1410-1415 geschreven. Het handschrift heeft twee katernen verloren maar is nog wel in de originele, in Haarlem gemaakte, boekband gebonden.2 Het gehele boekje is zorgvuldig gecorrigeerd. De kopiist/rubricator maakte weliswaar fouten, maar hij corrigeerde zichzelf, zoals bijvoorbeeld is te zien na Si is een blinckende des ewighen lichts ende een spieghel sonder vlecken der godliker hoecheit ende een beelt sijnre godheit waar de afsluitende woorden God si geloeft vergeten waren. Met een kleine verwijzing in rood zijn de woorden alsnog in de benedenmarge toegevoegd (f. 77v). In de kalender voorin is op 17 augustus het feest van Jeroen in rode inkt toegevoegd (f. 9v). Omdat zijn feestdag vanaf 1429 in Holland verplicht gevierd werd, is dit handschrift zeker voor die tijd te dateren. Vermoedelijk is het boekje door een man geschreven; in ieder geval is het voor een man bestemd geweest zoals geconcludeerd mag worden uit de woorden ic bin dijn knecht ende een soen dijnre deernen (f. 66v). Wellicht is het zelfs door de kopiist voor eigen gebruik afgeschreven. De Moderne Devotie werd in Haarlem sterk gestimuleerd door Heer Hugo Goutsmid, die Geert Grote zelf nog gekend heeft. Deze voormalige goudsmid en weduwnaar werd op 57-jarige leeftijd tot priester gewijd. Rond 1400 stichtte hij iets buiten de stad het regulierenklooster O.L. Vrouwe Visitatie. Jarenlang had hij als biechtvader ook de geestelijke leiding over het Haarlemse Begijnhof, waar zijn dochter Alijt een huis opgericht had. Het eenvoudige penwerk uit dit handschrift komt sterk overeen met dat in een van haar boeken.3 Van de Haarlemse begijnen is niet bekend dat zij zelf boeken schreven, maar misschien speelde hierin het regulierenklooster van Alijts vader een rol? Van dit klooster weten we dat de broeders in opdracht boeken kopieerden. Johannes a Kempis, de oudere broer van Thomas a Kempis, bekleedde in dit klooster zeven jaar de functie van prior (ca. 1408-1415). ‘Hij schreef een goede hand, was … een uitnemend “verluchter” van voor de bibliotheek en het koor geschreven werken en bezat de bijzondere gave van boeken te corrigeren en met elkaar strijdende lezingen onderling in overeenstemming te brengen’.4 De kloosterbibliotheek van de Haarlemse regulieren werd in 1451 nog bezocht door Nicolaas van Kues, de geleerde die altijd op zoek was naar nieuwe kennis. Helaas is de verzameling, op een enkel boek na, door de verwoestingen tijdens de Beeldenstorm en Tachtigjarige Oorlog verloren gegaan.
Noten:
1 Heinrich Seuse, Das Buch genannt Seuse, Augsburg, Anton Sorg, 1482 [BPH inc. 177], daarin: Vita, Buch der ewigen Wahrheit, Büchli der Warheit en Briefbuch.
2 Enkele stempeltjes op de boekband zijn ook te vinden op een ander boek uit het regulierenklooster, Wüstefeld, 1989, 43
3 Over de boeken van het Begijnhof, zieVaske 1988 en Korteweg 1992, nr. 58.
4 Zie: www.dbnl.org, Johannes a Kempis
Literatuur:
Het Getijdenboek van Geert Grote. Naar het Haagse handschrift 133 E 21. Uitgegeven door N. van Wijk. Leiden 1940
Getijden van de Eeuwige Wijsheid naar de vertaling van Geert Grote. Uitgegeven en ingeleid door Anton G. Weiler. Baarn 1984
J. van Aelst, Passie voor het lijden. De Hundert Betrachtungen van Henricus Suso en de oudste drie bewerkingen uit de Nederlanden. Leuven 2005
A.S. Korteweg (red.), Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw. ’s-Gravenhage / Zutphen 1992
B. Vaske, `De handschriften van het Haarlemse begijnhof’, in: Ons geestelijk erf 62 (1988), 311-348
W.C.M. Wüstefeld, De boeken van de Grote of Sint Bavokerk. Een bijdrage tot de geschiedenis van het middeleeuwse boek in Haarlem. (Hollandse Studien 24). Hilversum, 1989, 32-33, 103, 104
Bijschriften:
BPH 152, f. 64v Getijden van de Eeuwige Wijsheid. Metten.
BPH 153, f.13r, Christus als Salvator Mundi, iniitaal M bij de Proloog van de Getijden van de Eeuwige Wijsheid
BPH 134, ff. 48v-49r, Christus als Salvator Mundi- Getijden van de Eeuwige Wijsheid
BPH 152, f. 64v O ewighe wijsheit schijnsel der glorien ende figure der substancien des vaders du die alle dinc van niet hebste ghescapen.
BPH 134, f. 49r Haan met spreukband Ic rupe tot dy in dergheraet
BPH 152, f. 67v-68r Boven salicheit ende alle schoenheit heb ic ghemint wijsheit ende hebse ghemint dat icse liever hebben soude dan licht want alle goet is mi te samen mit hoer ghecomen.Ic hebbe seit der wijsheit du biste mijn suster ende die voersienicheit heb ic gheheten mijn vriendinne want alle goet is mi te gader mit hoer ghecomen. Glorie sie den vader ende den soen ende den heilighen gheest. Want alle goet is mi te samen mit hoer ghecomen.
BPH 152, f. 75v Dese heb ic ghemint ende wtghesocht van mijnre ioghet ende hebse ghesocht mi tot eenre bruut tontfaen ende ic bin gheworden een minre hoerre formen. God si gheloeft.
BPH 152, f. 77v Correctie van de rubricator/kopiist is te zien na: Si is een blinckende des ewighen lichts ende een spieghel sonder vlecken der godliker hoecheit ende een beelt sijnre godheit. Hier zijn de afsluitende woorden God si geloeft vergeten. Met een keurige verwijzing in rood zijn de woorden alsnog in de benedenmarge geschreven
BPH 152, f. 66v Vermoedelijk is het boekje door of voor een man geschreven: ic bin dijn knecht ende een soen dijnre deernen
|