|
7. Schrijven voor de kost:
het klooster Lopsen in Leiden
Bidden en werken
Vanwege kritiek op hun, niet aan kerkelijk gezag onderworpen, levenswijze koos een aantal Moderne Devoten in de eerste helft van de 15e eeuw toch voor een leven in de beslotenheid van een huis onder een kloosterregel. Zij stelden zich dan ofwel als reguliere kanunniken of kanunnikessen onder de regel van Augustinus of als tertiarissen onder de regel van de derde orde van Franciscus en sloten zich dan aan bij een Kapittel.1 In hun kloosters wijdden zij zich aan bidden en mediteren en een aantal bleef, zoals ook de broeders en zusters van het Gemene Leven dat deden, in het onderhoud voorzien door het afschrijven van boeken voor anderen.
Handschriften uit Leiden
Er is een grote groep handschriften bewaard gebleven waarvan het ontstaan op basis van schrift, stijl van verluchting en enkele andere kenmerken, wordt gelokaliseerd in Leiden. Het zijn vooral boeken uit de periode van ca. 1480 tot 1500, waaraan meerdere verluchters meegewerkt hebben. Deze kunstenaars kregen de noodnaam ‘Meesters van Hugo van Jansz. van Woerden’. Hun decoratiestijl wordt onder meer gekenmerkt door het gebruik van lichte, zachte kleuren – soms ook waterverf – met dunne, langgerekte acanthusbladeren in de margeversiering (de zogenaamde ‘blauwe Leidse acanthus’-stijl). Een ander stijlkenmerk is dat het werk er onaf uitziet, omdat nogal wat ruimte blank gehouden of oningevuld is. Vier handschriften in de collectie van de BPH zijn toe te schrijven aan deze Meesters (zie catalogusgedeelte nrs. 21 t/m 24). Een aantal van de boeken met deze verluchting is in het begin van de 16e eeuw aan de smaak van de tijd aangepast en van nieuwe miniaturen voorzien, die vaak zijn uitgevoerd door de zogenoemde Suffragiënmeesters (ca. 1500-1525, niet aanwezig in de BPH collectie). Ook dit werk wordt in Leiden gelokaliseerd. In het verleden is wel geopperd dat de verluchting van deze Leidse handschriften wellicht is uitgevoerd in het scriptorium van de reguliere kanunniken van het klooster Lopsen. Over dit atelier is uit archiefstukken vrij veel bekend en gepubliceerd, maar desondanks is er nog geen enkel bestaand werk aan toe te schrijven.
Productie in het klooster Lopsen
Onder de zeventien kloosters in Leiden was het mannenklooster Hiëronymusdal of Lopsen actief betrokken bij boekproductie. Om in het onderhoud te voorzien werd er perkament gemaakt, werden er boeken geschreven, verlucht en ingebonden, en daarnaast werd er, tot 1482, ook voor opdrachtgevers van buiten, op paneel geschilderd. De broeders zullen tevens boeken voor eigen gebruik gemaakt hebben, want men beschikte over een kloosterbibliotheek met tenminste 200 boeken. Een bewaard gebleven wandcatalogus uit ca. 1495 vermeld vooral Latijnse boeken, met name ascetische en stichtelijke teksten.2 Oorspronkelijk behoorde het klooster, dat net buiten de Rijnsburgerpoort lag, tot de derde orde van Franciscus. In 1429 kreeg men toestemming voor het bouwen van een eigen kerk en kerkhof, maar de kapel met vier altaren werd pas in 1453 gewijd. De paters bedienden het Leidse Begijnhof en verkregen in 1452 het patronaatsrecht van de St. Quirinus-kapel van Tetrode, gelegen te Overveen bij Haarlem (zie hoofdstuk 4). Ook kreeg het klooster inkomsten uit de Drievuldigheidskapel en het St. Anna-altaar in de Leidse O.L. Vrouwenkerk. Na 1456, vermoedelijk in 1460, ging men over tot de regel van Augustinus en het kapittel van Windesheim. Ondanks de bedrijvigheid kon Lopsen het hoofd financieel niet boven water houden en uiteindelijk moest het klooster in 1526 de poorten sluiten.
Lekenbroeders en priesters
Het kloosterarchief in Leiden biedt zicht op een deel van de werkzaamheden. Degenen die inkomsten genereerden met het kopiëren van boeken waren allen broeder. In de jaarrekening over 1445 bijvoorbeeld, staan er veertien bij naam vermeld, vijf ervan waren priester. De mannen die boeken illumineerden of inbonden zijn zonder naam ingeschreven, vermoedelijk waren zij lekenbroeder. Later, vanaf 1482, worden de mannen die dit werk uitvoerden wel bij naam vermeld maar dan betreft het priesters. Uit het klooster zijn ook twee paneelschilders bekend: broeder Tymannus (1445-1482) en broeder Tricus (1445?-1482), die beiden met assistenten (famuli) samenwerkten.3 Na hun dood werd met op paneel schilderen gestopt. Ook het zelf maken van perkament werd in 1482 beëindigd. Kennelijk was het tijd de werkzaamheden binnenshuis te reorganiseren, want toen al werd geklaagd dat de inkomsten daalden omdat er te veel gedrukte boeken in omloop kwamen. Ook de reorganisatie bracht niet voldoende resultaat en de opbrengsten uit schrijfwerk bleven afnemen. De boekdrukkunst beroofde de broeders van hun brood. In 1498 waren er in het klooster nog zeventien geprofeste broeders te voeden, twee novicen, één clericus en twaalf lekenbroeders. Een kwart eeuw later, in 1526, waren er hiervan nog slechts drie over – eigenlijk twee, want een broeder was weggelopen.
Geleerde in een nieuwe tijd
Toch noemde de geleerde monnik Cornelis Aurelius (1460-1531) in Lopsen de boekdrukkunst een ‘profijtelijke’ uitvinding (f. 279v). Zijn voor leke luyden in het Nederlands geschreven Divisiekroniek liet hij in 1517 door Jan Seversz in Leiden drukken met houtsneden van o.a. Lucas van Leiden. Aurelius woonde en werkte afwisselend in Lopsen en in het Michaelsklooster in Den Hem (bij Schoonhoven), waar de broeders zelf ook korte tijd een drukkerij in bedrijf hadden. Hoewel hij in beide kloosters zelfs een aantal jaren scriptor en prior was, liet hij zijn werk niet met de hand kopiëren. Om zijn werk te vermenigvuldigen en de markt te kunnen bedienen, was een keuze voor de boekdrukkunst onvermijdelijk.
Meesters van Hugo Jansz van Woerden
Men spreekt over de verluchters van de hier besproken handschriften als ‘de Meesters van Hugo Jansz van Woerden’, omdat de drukker Hugo Jansz. (ca. 1450-1530) prenten heeft uitgegeven die gelijkenis vertonen met de miniaturen in deze groep. Omdat deze drukken echter van 1494 en later dateren, wordt betwijfeld of de naam voor deze groep handschriften wel houdbaar is. Hugo Jansz was afkomstig uit Woerden en als drukker werkzaam in Leiden (1494 tot ca. 1506), Haarlem, Amsterdam, Delft en ten slotte in Den Haag (1517-1519). Vermoedelijk was hij ook boekhandelaar en prentsnijder. Als een van de eerste boekjes drukte hij de Getiden van O. L. Vrouw, bestemd voor de markt die de broeders in Lopsen nog met handgeschreven exemplaren bedienden. Op die markt was de concurrentie nog groter, want ook Heynricus Heynrici (1483), Govert van Ghemen (ca. 1496-1504) en Jan Seversz (1501-1526) waren in Leiden als drukker werkzaam. Misschien is Hugo Jansz daarom naar Amsterdam verhuisd, waar hij enige tijd in de Kalverstraat een werkplaats had, zoals ook de schilder en prentsnijder Jacob Cornelisz van Oostzanen (1472-1533). Er wordt een relatie verondersteld tussen het werk van de Meesters van Hugo Jansz. van Woerden en de verluchting van de Suffragiënmeesters. Miniaturen van deze meesters worden aangetroffen in handschriften van hun wat oudere voorgangers en tonen reminiscenties aan dat werk. De hypothese dat beide groepen verluchters misschien in het klooster Lopsen gewerkt hebben, verdient nader onderzoek. Daarbij zou ook een mogelijke relatie met het atelier van Cornelis Engebrechts betrokken moeten worden, die in de eerste helft van de 16e eeuw in Leiden samen met zijn zoons aan het hoofd stond van een professioneel schildersatelier. Of de laatste kloosterlingen, hun roeping getrouw, handgeschreven boeken bleven maken tot het doek in 1526 definitief viel is niet bekend. In ieder geval dateren uit die tijd ook de laatste bekende miniaturen van de Suffragiënmeesters.4 Voor zover we weten is dit de enige keer dat de opkomst van het gedrukte boek als een argument genoemd wordt voor de ondergang van een klooster. Dat het ideaal van de armoede en een leven gewijd aan meditatie in Lopsen juist tot het einde van het contemplatieve leven zou leiden, stond haaks op wat Geert Grote en de Moderne Devoten voor ogen had gestaan. Maar het leven in de Hollandse steden was veranderd en nog geen 50 jaar later zou de Reformatie zich doen gelden.
Noten:
1 Kapittels zoals van Windesheim, Sion of Utrecht (en later ook van Venlo). In de kapittelvergaderingen werden de statuten en leefregels vastgesteld en de belangrijkste beslissingen genomen. De overste of minister-generaal visiteerde de aangesloten kloosters om te controleren of alles liep zoals wenselijk was.
2 De boeken voor lekenbroeders, veelal in de volkstaal, ontbreken; zij werden bij de Windesheimers apart opgesteld, zie Obbema 1996, 128, nt. 30.
3 Ook betrok men timmerlieden, beeldhouwers en schilders van buitenshuis, zoals een zekere Johannes ‘pictor’, Albertus, Nicolaas van Angerden en een Wilhelmus (beiden familie van Tymannus).
4 Obbema 1996, 127; zie ook Golden Age 1989, 287-288 en Korteweg 1992, 72-73.
Literatuur:
A. Bouwman e.a., Stad van boeken, handschrift en druk in Leiden, 1260-2000, Leiden 2000
P. Obbema, De middeleeuwen in handen. Over de boekcultuur in de late middeleeuwen. Hilversum 1996, hierin: ‘Een atelier in de archieven: het klooster Lopsen’, 41-48 en ‘Een Hollandse kloosterbibliotheek van omstreeks 1495’, 121-135
The Golden Age of Dutch Manuscript Painting, Utrecht/New York (1989/1990), hierin:
A.S. Korteweg, ‘XII: The Artists of the last generations, c. 1490-1520’, 285-300
Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw. A.S. Korteweg et al. Zutphen 1992, 72-73 e.v.
M. Pan, Tot profijt ende deuocien. Hugo Janszoon van Woerden; een Hollandse drukker op de markt voor Middelnederlandstalige devotionele literatuur (1490-1530). Doctoraalscriptie Geschiedenis VU 1996; 2 dln.
The Golden Age of Dutch manuscript painting, 287-288
Digitaal: http://www.karintilmans.nl/pdf/dk29-32.pdf (K. Tilmans, over C. Aurelius en zijn Divisiekroniek)
|